Een plakje worst
Bij de slager gaat het nooit alleen om vlees. Het is een theater, met gehaktballen als rekwisieten en types zoals Tante Mar als hoofdact. Vroeger, in mijn oude buurt in de Jordaan, was de slager om de hoek mijn podium voor gratis snacks. Tante Mar, de koningin van de toonbank, zwaaide daar de scepter. Met haar dikke klauwen draaide ze gehaktballen zo groot als knikkers voor de koning. “Draaien tot je een ons weegt, jochie!” zei ze dan, terwijl ze me een knipoog gaf die je drie straten verder nog voelde.
Tante Mar was een fenomeen. Jordanees tot op het bot, altijd een geintje, altijd gek op mannen. Als ik met m’n vader binnenkwam, begon het spektakel. “Hé, Wim, ouwe dibbes van me, wat mag het wezen? Pondje gehakt? Of ietsje meer?” Ze leunde over de toonbank, haar schort strak om haar heupen, en gaf m’n vader een knipoog waar je een kroeg mee kon vullen. Knipogen kon ze wel. M’n vader, de snoeperd, knikte altijd ja. “Steek die maar in je zak, lieverd!” zei ze dan, terwijl ze een extra schep gehakt in het papier gooide. En dan, met een draai naar mij: “En jij, boef? Lust je een plakje worst van Tante Mar? Mag wel, toch, Wim? Kan mij het schelen, hier, jonge, jij moet nog groeien!” Voor ik het wist, had ik een plak leverworst in m’n knuist, zo dik dat het bijna een boterham was.
M’n vader lachte altijd mee, maar ik zag z’n ogen glanzen. “Bofkont,” zei hij tegen mij, terwijl we naar buiten liepen. “Jij krijgt worst, en ik alleen een knipoog.” Maar Tante Mar, adrem als ze was, hoorde alles. “Hé, schoonheid!” riep ze hem na. “Effe rustig, hè? Je hebt m’n knipoog al, wil je nou óók een plakje worst? Nou, vooruit, omdat ik een goede bui ben!” En hup, ze sneed een plak af, hield het omhoog als een trofee. “Horen jullie dat, mensen? Wim krijgt een plakkie worst van Tante Mar!” De hele zaak lachte, van de oma met haar rollator tot de bouwvakker met z’n koelbox in zn hand. M’n vader, rood als een biet, nam het plakje aan en mompelde: “Bedankt, Mar.” Maar je zag hem denken: “ook alleen tante Mar kan het lekker ongemakkelijk voor me maken..ik own hem wel”
Tante Mar had de buurt in haar zak. Voor m’n vader de hoek om was naar de kroeg, wist heel de Jordaan het al. “Hé, Wim, bofkont!” riep de groenteboer. “Plakje worst van Mar, hè? Gaat lekker!” M’n vader, met z’n zelfspot, haalde z’n schouders op. “Ja, wat doe je d’r an?” zei hij, terwijl hij een hap van z’n worst nam. “Snoeperd,” noemde ik hem dan, en hij lachte, want hij wist dat het waar was.
Laatst liep ik weer langs een slager, zo’n hippe met vegan opties en een barista in de hoek. Geen Tante Mar te bekennen, geen dikke klauwen, geen knipoog. Ik bestelde een pondje gehakt, maar het was niet hetzelfde. “Mag het ietsje meer zijn?” vroeg de jongen achter de toonbank. Ik knikte, maar er kwam geen “ouwe dibbes” achteraan. Geen plakje worst, geen geouwehoer. Ik miste die chaos, die warme walm van leverworst en Tante Mar’s gebrul. Thuis appte ik m’n pa: “Weet je nog, die plakjes worst?” Hij stuurde een knipoog-emoji terug. “Bofkont,” schreef hij. En ik dacht: ja, dat waren we. Dankzij Tante Mar, de Jordaanse queen van de slagerij, die met een plakje worst de hele buurt aan het praten kreeg.
